In dit tweede deel uit een serie van drie over woordenschat, vertel ik hoe je nieuwe woorden leert. Lees ook deel een: wat is woordenschat en deel drie: woorden kiezen om mee aan de slag te gaan.

Nieuwe woorden leren is een natuurlijk proces, je begint er als baby al mee. Nog voor je begint te praten, leer je al woorden begrijpen. Pas daarna leer je spreken, je leert de woorden zelf te gebruiken. Nieuwe woorden leren is dus niets bijzonders.

Een geleidelijk proces

Het leren kennen van een nieuw woord is een geleidelijk proces. Je kennis van een woord verschuift langzaam van nog nooit van gehoord, naar brede woordkennis.

  • Ik heb nog nooit van het woord gehoord
    Een beitel, geen idee wat dat betekent.
  • Ik heb weleens van het woord gehoord
    Een beitel, is dat niet iets van gereedschap?
  • Ik weet ongeveer wat het betekent 
    Een beitel is een soort gereedschap.
  • Ik begrijp het woord
    Een beitel is een gereedschap voor het bewerken van steen en hout.
  • Ik gebruik het woord
    De beeldhouwer gebruikt beitels om het hout de goede vorm te geven.
  • Ik weet veel over het woord
    Ik kan uitleggen wat een beitel is. Ik weet hoe een beitel er uit ziet, waar je beitels voor gebruikt en dat er verschillende soorten zijn. Ik heb zelf met beitels gewerkt.

Passieve en actieve woordenschat

Elke keer als we bij mijn Duitse familie op bezoek zijn, overkomt het me weer. We zitten gezellig bij elkaar en ik volg het gesprek in het Duits aardig. Dan krijg ik een vraag en ik kom nauwelijks uit mijn woorden, hakkelend probeer ik mezelf duidelijk te maken.
Dat is het verschil tussen passieve woordenschat (de woorden die begrijpt) en actieve woordenschat (de woorden die je kunt gebruiken). Een nieuw woord leer je eerst begrijpen, waarna het deel wordt van je passieve woordenschat. Daarna leer je het woord ook gebruiken, pas dan is het onderdeel van je actieve woordenschat.

Twee manieren

Er zijn twee manier op nieuwe woorden te leren: incidenteel leren (het natuurlijke proces om nieuwe woorden te leren) en intentioneel leren (het schoolse leren). 

Taal is overal om je heen; in gesprekken, op TV, op school, in boeken, kranten en strips. Niet altijd ken je alle woorden die je hoort of leest, maar zolang je de meeste woorden maar kent, lukt het vaak wel om het onbekende woord te begrijpen. Zo leer je nieuwe woorden bij. Ook de kennis van woorden die je kent, breidt zich steeds verder uit. Je komt synoniemen tegen, afbeeldingen, misschien zie je iets in het echt, of lees je over een toepassing die je nog niet kende. Deze natuurlijke manier van uitbreiden van je woordenschat wordt incidenteel leren genoemd. 

Tegenover het incidentele leren, staat het intentionele leren. Je leert nieuwe woorden omdat die op school aan bod komen: bv. akkerbouw tijdens een aardrijkskunde les. 

Dat volwassenen en jonge kinderen de meeste woorden leren via incidenteel leren ligt voor de hand. Maar ook schoolgaande kinderen leren meer woorden via incidenteel leren dan via intentioneel leren.

Lezen is belangrijk

Geschreven taal is afwisselender dan gesproken taal. Omdat geschreven taal niet ondersteund wordt door beeld, moeten meer details beschreven worden en zijn er dus meer verschillende woorden nodig. Als je een uur in een boek leest, kom je veel meer verschillende woorden tegen, dan als je een uur naar een film gekeken hebt. Daarom is lezen zo belangrijk voor het vergroten van je woordenschat. 
Is je kind geen lezer, geen nood. Natuurlijk is het goed om lezen aan te moedigen, maar ook door voorlezen en het luisteren naar luisterboeken komt je kind in aanraken met de woorden uit geschreven taal.

Woordconcept en woordlabel

Je kennis over een woord bestaat uit twee delen: een woordconcept en een woordlabel. Het woordconcept gaat over de betekenis van het woord: wat houdt uitgeput in. Het woordlabel is de naam van het woord: uitgeput. Het woord afgemat leren is makkelijker als je het woord uitgeput al kent. Je hoeft dan alleen een nieuw woordlabel te leren.
Door het kijken naar bv. Jeugdjournaal en Klokhuis ontwikkelen kinderen een brede kennis over de wereld met bijbehorende woordconcepten, dat maakt het makkelijker om nieuwe woorden te leren. Ook een uitgebreide woordenschat in een niet-Nederlandse taal, maakt het makkelijker om nieuwe Nederlandse woorden te leren. Er dan hoeft alleen een Nederlands woordlabel aan het woordconcept gehangen te worden. Daarom is voorlezen in de thuistaal ook nuttig voor het uitbreiden van de Nederlandse woordenschat.

Werken aan woordenschat

Bij het vergroten van de woordenschat van je kind is het belangrijk om het incidentele leren zo veel mogelijk te ondersteunen. Door het kijken naar bv. Jeugdjournaal en Klokhuis breidt een kind zijn kennis over de wereld uit. Door het lezen van verhalen en informatieboeken komt een kind in aanraking met veel afwisselende geschreven taal. Ook voorlezen (al dan niet in het Nederlands) en luisterboeken kunnen daarbij een rol spelen. Daarnaast kun je natuurlijk gericht aan de slag met het aanleren van nieuwe woorden. Over welke woorden je daarvoor het best kunt kiezen, gaat deel drie uit deze serie over woordenschat: woorden kiezen om mee aan de slag te gaan.

Posted in Taal, Woordenschat.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *